Doelgroepkind baat bij goede kwaliteit vve

29 mei 2017 • Annemiek Veen • Nationale Onderwijsweek
Hebben de kinderen ook baat bij deelname aan instellingen voor voorschoolse opvang en educatie? Het blijkt dat de achterstand van de doelgroepkinderen ten opzichte van niet-doelgroepkinderen in de voorschoolse periode weliswaar niet helemaal wordt ingelopen, maar wel substantieel afneemt. Op woordenschat en op de aandachtfunctie.
 

Voordat ze op vierjarige leeftijd naar school gaan hebben de meeste kinderen een peuterspeelzaal, voorschool of kinderdagverblijf bezocht. Een deel van deze kinderen neemt daar deel aan voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Dit is de verzamelnaam voor de methodische en systematische aanpak van de ontwikkeling van jonge kinderen met behulp van educatieve programma's. Meestal zijn het kinderen van laagopgeleide ouders, die soms ook een andere thuistaal spreken. Van deze doelgroepkinderen is uitvoerig gedocumenteerd dat hun onderwijsprestaties en -loopbanen achterblijven bij die van kinderen met hoger opgeleide ouders (zie openingsverhaal over onderwijsachterstandenbeleid in Didactief, juni 2016). De overheid stelt daarom voor deze groep financiering beschikbaar, waarmee kindplaatsen in voorschoolse voorzieningen en een specifiek programma-aanbod kunnen worden gerealiseerd. Maar leveren deze inspanningen ook op wat ervan wordt verwacht?

Pre-COOL onderzoek

Om de effecten van deelname aan vve op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van jonge kinderen te onderzoeken is in 2009 het pre-COOL cohortonderzoek gestart. De focus van pre-COOL is breder dan achterstandsbestrijding en richt zich op de vraag naar effecten van vve op de ontwikkeling van álle kinderen, zowel doelgroep- als niet-doelgroep. In pre-COOL zijn gegevens verzameld over 300 peuterspeelzalen en kinderdagverblijven en 3000 kinderen, met behulp van kindtestjes, vragenlijsten, en observaties.

In het meest recente pre-COOL-onderzoeksrapport staat de ontwikkeling van kinderen van twee tot zes jaar centraal. Gekeken is hoe kinderen die de doelgroep vormen van het VVE-beleid zich ontwikkelen op belangrijke domeinen: woordenschat, selectieve aandacht, Cito taal- en rekenscores en speelwerkhouding. Zij zijn vergeleken met niet-doelgroepkinderen.

Vervolgens is onderzocht hoe de kwaliteit van de voorschoolse voorzieningen waar de kinderen aan deelnamen van invloed is geweest op hun ontwikkeling. De kwaliteit van het gevolgde kleuteronderwijs (de vroegschoolse educatie) in relatie tot de ontwikkeling kon nog niet worden onderzocht; dat komt in volgend onderzoek aan bod.

Selectief gebruik

Kinderen met een risico op achterstand zitten vooral op peuterspeelzalen of voorscholen, die in overgrote meerderheid gebruik maken van een VVE-programma. Een deel van die kinderen gaat naar de kinderopvang. Ook daar wordt in toenemende mate gewerkt met een VVE-programma. De kwaliteit van deze instellingen blijkt in het algemeen hoger te zijn dan in instellingen zonder VVE-programma. Ook blijkt: hoe meer doelgroepkinderen op een locatie, hoe beter de uitvoering van het VVE-beleid en hoe hoger de kwaliteit. De meeste doelgroepkinderen gaan dus naar instellingen met een VVE-programma en van een hogere kwaliteit. Zij krijgen een stimulerend en taalrijk aanbod. In vergelijking met andere landen doet Nederland het wat dat betreft best goed.

Segregatie
Het maakt voor doelgroepkinderen uit welke voorschoolse instelling zij bezoeken: een hoge educatieve kwaliteit en gebruik van een VVE-programma zijn voor hen essentieel. Die kenmerken zijn vaker aanwezig in voorzieningen waar een concentratie van doelgroepkinderen aanwezig is. Dat kan echter segregatie in de hand werken. Om dat te voorkomen wordt opvang en educatie in een gemengde setting bepleit, bijvoorbeeld in integrale kindcentra (ikc's), waarin voor- en vroegschoolse, schoolse en buitenschoolse voorzieningen worden geïntegreerd. De gemengde setting zou ook voor de cognitieve ontwikkeling van doelgroepkinderen gunstig kunnen zijn, omdat kinderen met achterstand kunnen leren van kinderen zonder achterstand. Een belangrijke uitdaging is de voordelen van zo'n universele voorziening optimaal te combineren met een doelgroepenaanpak, waarin extra aandacht is voor kinderen in achterstandssituaties. 

Inhaalslag

Maar hebben de kinderen ook baat bij deelname aan instellingen voor voorschoolse opvang en educatie? Het blijkt dat de achterstand van de doelgroepkinderen ten opzichte van niet-doelgroepkinderen in de voorschoolse periode weliswaar niet helemaal wordt ingelopen, maar wel substantieel afneemt. Op woordenschat en op de aandachtfunctie, dat wil zeggen de mate waarin kinderen in staat zijn hun aandacht vast te houden bij een taak of activiteit, maken doelgroepkinderen een inhaalslag. Voor rekenen is geen inhaaleffect gevonden tussen doelgroep- en niet-doelgroepkinderen (achterstanden blijven gelijk). Voor de speelwerkhouding is juist een licht toenemende achterstand geconstateerd. Waar dit laatste precies mee te maken heeft moet nog verder worden onderzocht.

De data geven ook aanwijzingen dat het gebruik van een VVE-methode niet alleen leidt tot een groter aanbod aan taal- en rekenactiviteiten, maar ook tot meer begeleid en verrijkt spel in de groepen, een andere factor die blijkt samen te hangen met de ontwikkeling van kinderen op verschillende domeinen (zie dossier VVE op didactiefonline.nl). Het lijkt wel uit te maken hoe één en ander wordt aangeboden.

De uitkomsten suggereren dat het aanbieden van taal, rekenen en andere vormen van cognitieve stimulering als afzonderlijke activiteiten, minder effectief is dan het inbedden in gevarieerde speelwerkvormen gedurende de hele dag. Beter geen 'lesjes' dus die sterk vanuit de pedagogisch medewerker zijn gestuurd en maar een enkele keer per dag worden aangeboden in een grote kring (de manier waarop de VVE-methode vaak wordt geïmplementeerd). De voorzichtige conclusie is dat deelname aan een voorschoolse voorziening met een VVE-programma kan compenseren voor onvoldoende stimulatie in de thuisomgeving, mits de uitvoering van het programma en daarmee de kwaliteit van de voorziening op orde is.

Dit artikel verscheen in Didactief, juni 2016.

Afbeelding: Beeld Human Touch Photography

 
Bronvermelding

1 Paul Leseman, Annemiek Veen (red.), 'Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen. Resultaten uit het pre-COOL cohortonderzoek'. Rapport 947, Kohnstamm Instituut, Amsterdam, 2016.

Blijf op de hoogte

Winnaars, evenementen, onderwijsnieuws als je niets wilt missen, meld je je hier eenvoudig aan voor de nieuwsbrief.